Bladluizen duiken elk jaar weer op in de tuin, meestal op de jonge, zachte scheuten van rozen en andere planten. Wie meteen ingrijpt bij de eerste luizen, mist echter een van de meest effectieve natuurlijke oplossingen die in de tuin al aanwezig kan zijn: het lieveheersbeestje.
Zowel de larven als de volwassen lieveheersbeestjes eten grote hoeveelheden bladluizen per dag. Een tuin met voldoende lieveheersbeestjes heeft daardoor vaak veel minder last van een echte plaag, simpelweg omdat de luizen al opgegeten worden voordat ze zich massaal kunnen verspreiden.
Geef de lieveheersbeestjes de kans
Om lieveheersbeestjes aan te trekken en te houden, is het belangrijk om ze de tijd te geven om hun werk te doen in plaats van meteen in te grijpen zodra de eerste luizen verschijnen. Een beetje geduld aan het begin van het seizoen loont meestal snel.
Verspreide bloeiende planten in de buurt van de rozen trekken lieveheersbeestjes extra aan, omdat de volwassen kevers ook stuifmeel en nectar eten naast bladluizen. Een border met verschillende bloeiende soorten werkt daarom beter dan een enkele plant die op zichzelf staat.
Een winterschuilplaats, zoals een bosje droge stengels of een hoekje met bladeren, helpt lieveheersbeestjes om de koude maanden door te komen. Wie die schuilplaats laat staan tot het voorjaar, heeft de volgende lente vaak al vroeg een leger klein natuurlijk hulpje klaarstaan.
Zo ontstaat langzaam een evenwicht waarbij bladluizen weliswaar blijven terugkomen, maar zelden nog echt de overhand krijgen. Dat evenwicht werkt het best in een tuin die niet steeds opnieuw wordt verstoord door snel en hardhandig ingrijpen.
Wie de larven van lieveheersbeestjes niet herkent, verwijdert ze soms per ongeluk in de veronderstelling dat het om een plaag gaat, terwijl het net deze diertjes zijn die het meeste eten. Even opzoeken hoe een larve eruitziet, voorkomt dat nuttige hulp onbedoeld uit de tuin verdwijnt.
Een tuin zonder enige bladluis is overigens ook niet ideaal, want dan hebben lieveheersbeestjes niets meer om van te leven en verdwijnen ze vanzelf weer. Een klein beetje luis blijft dus eigenlijk nodig om deze natuurlijke hulp op lange termijn in de tuin te houden.